verTOEVERen

Code AMA084


In dit voorstel zijn oplossingen bedacht door de bodem in laaggelegen gebieden te ontvlakken en hierdoor een grote lengte aan oever te scheppen. De infrastructuur wordt hieraan aangepast en een nieuwe vorm van wonen, in vlothuizen en dobberhuizen, kan zijn intrede doen. We komen hierdoor tegemoet aan de behoefte om aan het water te wonen en de noodzaak het waterpeil binnen een aanvaardbare fluctuering te houden.

Uitgangspunten cq. overpeinzingen

Wereldwijd wonen er steeds meer mensen langs de kusten. Veel mensen willen graag aan het water wonen (zee, rivier, plas, ven, gracht) Ook voor veel planten en dieren is dit een geschikt leefgebied.
Het zou dus goed zijn als we het oevergebied zouden kunnen uitbreiden.
Waterschappen willen graag het wateroppervlak uitbreiden ten behoeve van de waterbeheersing.
Nederland moet er mooi uit blijven zien of nog mooier worden.

Dus:

We gaan het land weer onder water zetten. Maar niet zomaar. Eerst gaan we wat reliëf in de bodem aanbrengen zodat straks als we het water laten toestromen, er droge gebieden ontstaan. De vorm van deze droge gebieden kunnen velerlei zijn, maar ik denk aan een veer- of bladvorm, bijv. eiken- of essenblad (zie tekening). Op deze manier ontstaat een zeer grote oeverlengte welke geschikt is voor bewoning. De huizen zijn te bereiken via wegen cq. paden op de hoofdnerf. De grootte en de vorm van deze 'woonbladeren' kunnen eindeloos variëren. De woningen zullen bestaan uit vlotachtige huizen in de (moerassige?) oever en dobbervormige huizen in het water. Eén en ander in variabele uitvoeringen.
De vlottende en dobberende huizen zijn van nieuwe duurzame materialen zodat onderhoud overbodig is. Ze zijn op een niet starre manier aan de bodem verankerd. De vlothuizen zijn enigszins verwant aan woonboten.
De dobberhuizen bestaan uit een grote, verticale, holle spil die een aantal bollende woongedeelten met elkaar verbindt. De onderste zal onder water zijn. Het dobberende deel ergens op of in de waterlijn. Mogelijk is er daarboven nog één als "kraaienest". De spil wordt gebruikt als doorgang voor mens en materiaal. De bereikbaarheid lijkt het best te realiseren door een soort steiger rond elke bladschijf. De steiger bestaat uit grote surfplankachtige elementen welke star aan elkaar verbonden zijn. Aan of onder deze steiger wordt tevens de kabel bevestigd die verantwoordelijk is voor de aanvoer van de per internet bestelde boodschappen. De hiervoor bestemde drijfgondeltjes hebben een automatische afslag voor het juiste adres. Ook de afvoer van afval naar een centrale opvang vindt hiermee plaats.
Parkeren moet op een centrale plaats.
Er mag niet met behulp van explosiemotoren gevaren worden.
Er moeten voldoende bomen en struiken zijn ter aansluiting en beschutting.
De eik- en bladvormige plaatsen bieden mogelijkheid voor wat grotere speel- en recreatievoorzieningen.

Resultaat:

Mensen zijn nogal divers. Als totaal zijn we omnivoor. Maar als individu zijn we heel verschillend. De één neigt sterk naar carnivoor, de ander is sterk herbivoor. Waarschijnlijk hebben flink wat mensen ook amfibisch materiaal in de genen. Juist voor die groep is dit de ideale oplossing. Overvloedige regenval, grote hoeveelheden smeltwater of zeespiegelsteiging? We kunnen ertegen. Het landschap zal er mooi en gevarieerd uitzien. Juist de afwisseling van water en land maakt het boeiend.