|
Structuur als huid
Bij het ontwerpen van een amfibische leefomgeving komen een aantal belangrijke vragen aan de orde. Allereerst de analyse van de huidige situatie. Hoe woont een mens nu? Waarom leven we zo en hoe zou dat kunnen veranderen? Daarna een analyse van de omgeving waarin we willen gaan leven. Hoe is het om te leven in zowel water als land? Hoe leeft een amfibie? huid "Volwassen amfibieën ademen door longen en huid. Hiervoor is het nodig dat de huid erg dun is en beschermd wordt tegen uitdrogen." Al zouden mensen het willen, leven in en met water zonder bescherming zal niet lukken. Net als bij een amfibie zal een extra 'huid' moeten zorgen dat mensen zowel op land als water kunnen leven. Hiervoor zijn al op verschillende schaalniveaus oplossingen gevonden. Letterlijk een tweede huid is het duikerspak voor duikers. Wonen, werken en verplaatsen op het water kan in een (woon)boot. Deze oplossingen zijn echter alleen geschikt voor water en niet voor land. Ook voor grootschalige toepassing zijn deze oplossingen niet bruikbaar. Amfibisch wonen is immers niet leven op een cruiseschip of in een jachthaven. Leven in, op en bij het water, amfibisch leven. Mogelijk gemaakt door een tweede huid. Deze huid biedt de buurt bescherming tegen het water, maar zorgt er ook voor dat het in het landschap aanwezige water wel onderdeel vormt van de buurt. Een oplossing die niet op het schaalniveau van losse objecten maar op dat van een wijk of buurt is. Hoe ziet deze tweede huid eruit? flexibele structuur De tweede huid is een flexibele structuur waarop huizen, straten, pleinen, plantsoenen en alle andere elementen van een buurt aanwezig zijn. De flexibele structuur bestaat uit meerhoekige eenheden die bij de ribben aan elkaar zijn verbonden. Door het formaat van de eenheden (200-300m2) en het oppervlakte van de structuur ontstaat een groot draag/drijfvermogen. Vanwege de flexibiliteit van de structuur kan dit grote oppervlak zich aanpassen aan de ondergrond. De structuur wordt een blauwdruk van het landschap waarop het ligt/drijft. Hierbij zijn twee landschapstypen
mogelijk: eenheden Bij het eerste landschapstype zal de omgeving van de buurt regelmatig veranderen. Niet langer is de bodem een vast gegeven, maar de lucht. Leidingen zullen niet langer op een vaste plek in de bodem kunnen liggen maar moeten in de structuur zijn geïntegreerd. Omdat de gehele structuur onder invloed van het landschap veranderd zal ook alles dat op de eenheden is geplaatst aan deze verandering onderhevig zijn. Leven op een structuur moet evenveel kwaliteiten hebben als leven op een fundering. Door huizen als loshangende elementen aan de eenheden te bevestigen zullen deze altijd waterpas blijven hangen ongeacht de stand van de eenheid. Niet alleen moet de structuur een blauwdruk van het reliëf van het onderliggende landschap zijn, dit landschap moet er ook door zichtbaar zijn. Een samenspel van open, gesloten en semi-transparante eenheden zorgt voor afwisseling in buurt en landschap. buurt De buurt wordt een element in het landschap. Gekoppeld aan elkaar ontstaan dorpen of steden. Door het karakter van de structuur is het mogelijk om verschillende landschapskwaliteiten binnen een dorp of stad toch tot hun recht te laten komen. Het wonen op een structuur in een amfibische buurt biedt kwaliteiten die wonen op fundering niet heeft. Door de voortdurende verandering in het landschap is het karakter van het wonen heel divers. Niet leven op het land, niet leven op het water, maar leven met het water op een structuur. |